Snufjes en robots om het werk en het leven in de zorg leuker en makkelijker te maken

Een chip op incontinentiemateriaal die de verzorger een seintje geeft als deze moet worden vervangen. Een polsbandje die de juiste deuren opent voor de bewoner zodat de frustratie over dichte deuren afneemt. En zelfs een vloer die bijhoudt of de patiënt genoeg en op de juiste manier beweegt. Ouderenzorginstelling Tante Louise gebruikt volop technologie. “Daarmee willen we de kwaliteit van zorg verbeteren en zorgen voor blije cliënten’’, zegt innovatie-adviseur Matthieu Arendse.
De innovaties hebben nog een doel; het personeel ondersteunen. “Op dit moment hebben we genoeg mensen voor de zorg, maar over een paar jaar niet meer’’, zegt Arendse. “De techniek gebruiken we niet om het werk over te nemen, maar om het lichter, leuker en makkelijker te maken.’’

Tante Louise staat bekend om de aandacht voor innovaties. Regelmatig krijgt de organisatie verzoeken van ondernemers om een product te testen of uit te proberen. “Een voorwaarde is dat het product of de technologie een probleem moet oplossen of iets toevoegen’’, zegt de innovatie-adviseur. Zo is onlangs een bril getest met camerafunctie. Die zorgt er bijvoorbeeld voor dat een verpleegkundige die gespecialiseerd is in wondzorg, vanuit haar praktijk kan meekijken met een verpleger die thuis een wond verzorgt. “Het is een handig ding.’’

Luier met een chip

Elke verandering die wordt ingevoerd vraagt aanpassingen van het personeel. Arendse: “Neem het incontinentiemateriaal met de chip. Het betekent dat een andere manier van werken nodig is. In plaats van het afleggen van een vaste route voor de verschoningen, reageert de verzorgende nu op een signaal dat binnenkomt op de smartphone als het materiaal aan vervanging toe is.’’

Een technologie waar Tante Louise al langer mee werkt zijn de ‘leefcirkels’. Bewoners met dementie krijgen een persoonlijk polsbandje die bepaalde deuren wel of niet opent. Daardoor zitten de deuren niet meer altijd dicht. “Het zorgt ervoor dat een patiënt bijvoorbeeld wel zelf naar de tuin kan gaan. Dat levert rust op en minder frustratie’’, ziet Arendse. En door het systeem kunnen verpleegkundigen altijd zien waar de patiënt zich bevindt. Inmiddels is het systeem nog verder uitgebreid met een GPS-tracker zodat ook cliënten die wel nog een boodschap kunnen doen, veilig over straat kunnen.

Maar leveren deze technologieën ook tijdswinst op? “Het is nog een uitdaging om dat vast te leggen’’, zegt Arendse. Doordat de cliënten meer vrijheid hebben, neemt de frustratie af. Dat zorgt er weer voor dat het voor de medewerkers makkelijker is om met hen om te gaan. En er is nog een voordeel: doordat de cliënten meer bewegen, zijn ze ’s nachts rustiger. “Daardoor is er ’s nachts minder interventie nodig en dus ook minder menskracht.’’ De zorginstelling maakt ook gebruik van heupairbags. “Daar is de winst duidelijker’’, zegt de innovatie-adviseur. “Als bij een val een breuk voorkomen kan worden, levert dat heel veel tijd en geld op.’’

Robots als onderdeel van de therapie

Technologie in de zorg valt in twee categorieën, zegt lector robotica Marcel Heerink. Hij is verbonden aan de Hogeschool Windesheim in Almere. Robots kunnen ingezet worden als onderdeel van de therapie. Bijvoorbeeld als steun voor kinderen die lange tijd in het ziekenhuis liggen of voor ouderen met dementie. “Dat noemen we socially assistive robots’’, zegt Heerink. “Deze robots nemen niet de taak over van medewerkers in de zorg.’’

Daarnaast zijn er robots of technologie om taken van zorgmedewerkers over te nemen of te vergemakkelijken. Zoals de chips in incontinentiemateriaal. “Op dit gebied is al heel veel mogelijk’’, zegt Heerink. Toch worden deze toepassingen nog relatief weinig gebruikt. “Het vraagt vaak een te grote investering van de zorginstellingen.’’ Dat geldt overigens niet alleen voor de financiën maar ook voor het personeel. “Deze technologie kan pas worden ingezet als het personeel het accepteert en heeft geleerd om ermee te werken.’’

Strenger over het falen van apparaten dan het falen van mensen

Wat betreft die laatste categorie is er nog een drempel die veel zorgorganisaties weerhoudt; het risico op fouten. “Zo bestaat er bijvoorbeeld al lange tijd een robotarm die patiënten kan voeren. Maar wat als de arm uitschiet en in het oog van de patiënt prikt? Wie is er dan verantwoordelijk? Dat vraagstuk zit instellingen in de weg.’’ Daar komt nog bij dat uit onderzoek blijkt dat mensen fouten gemaakt door apparaten harder veroordelen dan menselijke fouten. “Ook al maakt het apparaat minder fouten, dan vindt men het toch niet veilig en betrouwbaar genoeg’’, zegt Heerink.

Als voorbeeld noemt hij de robot die een prostaatoperatie kan uitvoeren. “Deze robot werkt heel nauwkeurig en in tegenstelling tot een echte chirurg zal deze bijvoorbeeld niet trillen.’’ Toch wordt de robot nog altijd bediend door een echte chirurg. “We durven het nog niet aan om de ingreep uit handen te geven omdat er een kans bestaat dat het misgaat. Ook al is die statistisch kleiner dan de kans dat het misgaat bij een chirurg.’’ Het laat zien dat we moeite hebben om de controle uit handen te geven. “Het kán wel, maar we doen het niet.’’ Ondanks dat er al veel verschillende technologische hulpmiddelen voor de zorg zijn, worden deze in de praktijk dus nog vrij weinig ingezet, ziet Heerink. “Ik zou willen dat het wat sneller zou gaan.’’

De lector verwacht de komende jaren vooral een grote stijging in het gebruik van Virtual Reality. Ook in de zorg. “Bijvoorbeeld voor de training van chirurgen. Om kinderen die moeite hebben met sociale interacties te trainen, of om mensen met dementie zich beter te laten voelen doordat zij zich af en toe terug kunnen trekken in een virtuele wereld.’’

‘De robotpoes was een groot succes’

Veel zorginstellingen maken inmiddels gebruik van technologie uit de eerste categorie, die Heerink benoemt: robots die worden ingezet als therapie. Zo ook bij ouderenzorgorganisatie QuaRijn, actief in en om de Utrechtse Heuvelrug. Sinds 2017 wordt hier volop gebruik gemaakt van verschillende soorten robots om cliënten met dementie gerust te stellen, te vermaken en om contact te leggen. Vooral de robothonden en -poezen zijn populair. “In 2017 begonnen we met een robotpoes’’, zegt leefpleziercoach Ilona Wakker. “Dat was een groot succes. Inmiddels hebben we meer dan dertig robothonden,- poezen en ook robotpoppen.’’

Na haar aanstelling in 2017 ging Ilona op zoek naar een laagdrempelig hulpmiddel voor activiteiten. “We zochten naar iets wat zorgverleners zo konden pakken en inzetten. Iets waar ook stagiaires, vrijwilligers en familieleden mee aan de slag kunnen.’’ De robotpoes voldeed daaraan. “De poes of hond is laagdrempelig en herkenbaar’’, zegt Ilona. “We zien dat cliënten het prettig vinden om ze te aaien. Vooral voor mensen met dementie is de tastzin heel belangrijk.’’ Wakker ziet dat de verschillende robots een bijdrage leveren aan het welzijn van de cliënten. “Contact maken is makkelijker. Jaren geleden werden patiënten met ernstige dementie vooral verzorgd. Door deze robots is het mogelijk om hen weer prikkels te geven.’’

De aaibare robots leverden ook commentaar op. “Familieleden vinden het soms lastig om te zien dat hun moeder bijvoorbeeld tegen een robotpop of -poes praat. Maar door hen uit te leggen dat het een bijdrage levert aan het plezier van de bewoner, begrijpen ze het uiteindelijk wel.’’ Ook voor de coach en zorgmedewerkers was het wennen. “Hoe introduceer je de robot? Zeg je dat het een echte is, of laat je dat in het midden?’’ Ilona neemt de robot vaak mee als cliënten koffie aan het drinken zijn. “Dan zet ik de hond op tafel en vertel dat het een soort knuffel is die geluidjes kan maken. Op dat moment zie je ook wie er op reageert en wie juist niet.’’

Robot om contact te maken met demente patiënt

Naast de robotknuffels gebruikt QuaRijn ook de CRDL. Een grote, houten ovaal met elektroden. Deze wordt vooral gebruikt om contact te krijgen met patiënten met dementie. Het gebruik gaat als volgt: zowel de patiënt als de verzorger legt een hand op CRDL. Met de andere hand aait de verzorger bijvoorbeeld over de arm van de patiënt. Zo ontstaat een gesloten circuit en produceert het apparaat trillingen en geluiden die bijvoorbeeld herinneringen kunnen oproepen aan vroeger. “Zo lukt het toch om contact te maken’’, zegt Ilona. “Dat is heel bijzonder om te zien.’’

De organisatie deed ook een proef met de zorgrobot Zora. Dat was minder succesvol. “Zora was vooral goed in bewegen en bingo’’, zegt Wakker. “Maar ze was nog niet helemaal uitontwikkeld.’’ Dat betekende bijvoorbeeld dat ze wel eens omviel als ze een bepaalde beweging maakte. “En Zora is groot en zwaar dus daar schrokken patiënten van.’’ Ook moest ze regelmatig terug naar de fabriek voor updates.

Ontwikkelingen minder snel dan verwacht

Lector robotica Heerink vindt de ontwikkelingen op dit gebied eveneens tegen vallen. “Een zeehond die reageert op aanrakingen, bestaat al twintig jaar. Het concept heeft ook de vorm gekregen van een hond of een kat, maar heeft zich verder nauwelijks ontwikkeld’’, zegt hij. “Ik verwacht wel dat de robots de komende jaren goedkoper en beter worden.’’ Ook NAO, beter bekend als Zora en diens ‘broertje’ Pepper bestaan al enkele jaren. “Deze zijn op zich succesvol’’, zegt Heerink. “Je kunt ze helemaal programmeren en ze zien er leuk uit.’’ De laatste jaren zijn er enkele nieuwe robots op de markt gebracht. “Maar die lijken heel erg op wat er al was.’’

Ook de domotica ontwikkelt zich niet zo snel als Heerink gehoopt had. “Er werd voorspeld dat we steeds slimmere huizen zouden krijgen, maar waar zijn ze?’’ Inmiddels zijn er wel woningen waar de verlichting bijvoorbeeld aanspringt door te klappen of via apps. “Maar dat zijn kleine dingen, het is niet zo dat het huis helemaal geautomatiseerd is.’’

De innovatie-adviseur van Tante Louise verwacht de komende jaren veel van data-analyses. “Sensoren in de vloeren en polsbandjes met chips kunnen bijvoorbeeld bijhouden hoeveel iemand beweegt en of iemand op de juiste manier beweegt. Door die informatie te analyseren kunnen we preventief zorg bieden’’, zegt hij. Bijvoorbeeld door een fysiotherapeut in te schakelen of medicijnen aan te passen. Veel data worden nu al verzameld, maar dat levert nog niet zoveel op omdat het nog niet geanalyseerd wordt, weet Arendse. “Ik verwacht dan ook dat we eerder een data-analist aan zullen nemen dan een nieuwe fysiotherapeut.’’